Droogkapje op Creative Brainwave Website sprookje sprookjes creatief creativiteit Roodkapje schrijven verhaal verhalen Grimm

Droogkapje

Er was eens een meisje met prachtig haar. Op zekere dag kreeg zij van haar Oma een droogkap. Zo blij was het meisje met dit geschenk dat men haar te pas en te onpas onder de droogkap kon aantreffen. En sindsdien noemen de mensen haar: Droogkapje.
Maar oh, wat had d'r mooie haar te lijden. Iedere keer dat ons meisje onder de droogkap zat, verloor ze zeven haren. Op den duur had ze nog slechts drie haren over. Ze waren grijs en krulden van verdriet. Droogkapje werd nu wijs en besloot deze haren te sparen en de droogkap aan de wilgen te hangen.

Op zekere dag zei de moeder van Droogkapje:
"Droogkapje, Oma is ziek geworden. Breng jij haar nu deze mand met koekjes en wijn. Dan zal ze wel snel weer beter worden."
"Goed moeder, ik zal doen wat u zegt", antwoordde Droogkapje. Het was een guitig gezicht om dat kale meisje zo te zien praten.
Haar lieve hoofdje glom in de zon, terwijl zij zingend over het bospad liep. Al vaak had men haar aangeraden een rood kapje om te doen, tegen de kou, maar ons Droogkapje bedankte daarvoor. Ze kende een meisje dat dit had gedaan, maar met haar was het slecht afgelopen. Het rood trok de wilde dieren aan en dat kon nooit goed zijn.

Alzo mijmerend was zij al halverwege grootmoeder's huisje geraakt. Plots zag ze naast het pad de mooiste rozenstruik staan die ze ooit had gezien. "Die rozen zal Oma zeker heel fijn vinden", dacht Droogkapje en bedacht zich niet langer maar plukte de rode bloemen.
Het werd een uitbundig boeket dat het oude mens zeker zou waarderen. Maar het duurde niet lang of Droogkapje's pad werd gekruist door een behaard monster. Het sprak echter heel beschaafd en articuleerde als een volleerd spreker.
Het zei: "Goeiedag, lief meisje. Wat een grote dag en wat een groot boeket. Wat een groot plezier om jou te ontmoeten." "Wat een grote bek al niet vermag", antwoordde Droogkapje, niet in het minst onder de indruk van het harenpak van dit dier, "ik bid u opzij te gaan en mij voor te laten gaan op mijn edele pad."
"Hahahaha!!!", bulderde het beest, "wat een grote grap! Heeft ooit iemand zo tegen mij durven uitvaren? Nee, ik herinner mij het niet. Wat dan heeft dit meisje bezield? Ik begrijp het niet. Zou het haar kale hoofdje zijn, die haar de uitstraling van een ruwe uitsmijter bezorgd? Is het haar grote boeket, waarin beschermende stekels huizen? Welk een dilemma. Ik moet het haar vragen, want ik brand van nieuwsgierigheid."
Toen het wilde dier uit zijn redevoering ontwaakte, zag hij dat het meisje inmiddels was doorgelopen en uit het zicht was verdwenen. Met de neus dicht aan de grond volgde het beest het geurspoor dat Droogkapje op de bosvloer gedrapeerd had.

Laten wij thans onze blik richten op datgene wat voor het beest nog in het verschiet ligt. Verderop het pad, achter de bosheuvel, daar waar de laatste kronkel het bospad had getergd, stond een oud huisje, een bouwval, een ru´ne, dat vergeefse pogingen deed de ruwe weersinvloeden van het woeste bos buiten te houden. Want binnen in dit alleraardigste optrekje bevond zich de oudste en meest kwetsbare inwoonster van het woud. het was de grootmoeder van Droogkapje. Sterk vermagerd lag zij op bed en hoopte op een wonder. Ja, zo mager was zij, dat de dekens niet de minste welving vertoonden waardoor het ledikant een verlaten indruk maakte, op het kussen na, waarop het verdroogde hoofdje van het arme mens rustte. Uit de mond klonk een ver geprevel, dat welhaast op gezang leek.

Ondertussen liep ons Droogkapje te fluiten op het pad. In haar ene hand hield ze het boeket rozen, haar andere hand droeg het rieten mandje met de wijn en de koekjes. Het viel haar zwaar deze laatste meters, het was reeds op het warmst van de dag, en het zweet blonk als heuse parels op haar gladde bolletje. Maar dapper stapte zij voort en zo bereikte zij het voordeurtje van grootmoeder.
Droogkapje klopte op de deur. Niet te hard, bang als zij was splinters in haar handen te krijgen van het vermolmde hout. Zij kreeg geen reactie. Nogmaals bonkte zij op de ingang, dit keer met haar voet, dat veilig in haar charmante schoentje stak. Toen ten tweede male elke respons uitbleef, besloot Droogkapje de mand en de bloemen bij de voordeur achter te laten en terug te keren naar huis. Zij verkeerde in de veronderstelling dat grootmoeder niet thuis was, maar op wandeling, zomaar voor een frisse neus, of met een doel, haar wekelijkse klaverjasclubje met de andere oma's van het bos. Droogkapje vermoedde niet, hoe slecht het oude mens eraan toe was en dat zij niet in staat zou zijn zelfstandig de fles wijn aan haar mond te zetten. Volkomen onwetend van de toestand van haar oma liep Droogkapje terug en ze hoorde niet het zacht gekreun dat uit de raamluiken klonk. Toch werd zij zich plotseling iets anders gewaar. Daar, verderop het bospad, kwam het harige beest aangelopen. Diep gebogen sleepte hij zijn neus over de zandweg en was volkomen in de ban van iets. Daar Droogkapje geen zin voelde hem voor de tweede keer te ontmoeten, verliet zij haastig het pad en klom in een knoestige dode boom, die onderdak bood aan drie eekhoorntjes die in pure doodsangst naar een andere boom oversprongen. Droogkapje hield haar adem in toen het beest hevig snuffend en hijgend aan haar voorbij trok. Niets had hij in de gaten, ondanks de in de zon hevig blinkende schedel van Droogkapje in de bladerloze boom.

Met samengeknepen ogen spiedde zij het dier na en zag dat hij stilhield bij het oude huisje. Hier raakte hij het spoor bijster, wat hem even leek te verontrusten. Toch was dit slechts van korte duur, daar hij de rieten mand ontdekte. Als een dief nam hij de mand en de kuierlatten. Bij een braamstruik waarachter hij zich veilig waande, beet hij de kurk uit de hals van de fles en zette het op een zuipen. Droogkapje kon echter alles zien en was woedend. Desondanks was het haar nette opvoeding die haar belette maatregelen te nemen. Machteloos keek ze toe hoe de laatste rode druppel in de bek van het monster verdween. Toen kwam het langzaam overeind, probeerde zich aan de braamstruik staande te houden, en stortte ter aarde. De wijn had zijn benen zwaar gemaakt. De brandende zon tergde zijn luie lijf dermate, dat hij spiedde naar een lommerrijke plek. In deze open vlakte stond niets dichtbij genoeg, dan het oude huisje van grootmoeder. Daarom sleepte het dier zich voort, duwde met zijn laatste krachten de deur open en kroop naar binnen. Wat zich daar afspeelde, daarover maakte Droogkapje zich geen illusies. Dat beest was natuurlijk het ledikant ingekropen en in een dromeloze slaap gevallen. In werkelijkheid daarentegen was het dier inderdaad naar het ledikant toegekropen maar had gezien dat het bezet was. Met de grootste tegenzin had hij zich toen uit het dichtstbijzijnde raam geworpen waar het aan de schaduwkant van het huis op de grond terechtkwam en knock-out bleef liggen.

Droogkapje klom uit de boom en wilde net naar huis lopen toen ze zich bedacht dat, als oma straks thuiskwam -domme Droogkapje dacht nog steeds dat grootmoeder buitenshuis was- ze misschien onaangenaam verrast zou zijn als ze een wild beest in bed aantrof. Droogkapje voelde zich niet bij machte aan deze penibele situatie iets te veranderen, maar wist iemand die hiertoe wel uitstekend in staat was: de jager. En niet ver hiervandaan lag een vijver met plastic eenden. De jager kon men hier dikwijls aantreffen, liggend in het bosbessenstruweel.

Door de weelderige brandnetels baande Droogkapje zich een pijnlijke weg naar dit jachtgebied. Het arme kind had beter een omweg kunnen nemen, want haar tere huidje had er danig onder te lijden. Even struikelde ze en toen zwol ook haar schedeltje afschuwelijk bulterig op. Maar toen bereikte ze dan toch het open jachtterein met de vijver. Aan de schoten te horen kon de jager niet ver zijn. Maar oh!, wat schrok Droogkapje, toen ze merkte dat de kogels haar om de oren vlogen! Ze liet zich op de grond vallen en bleef uit puur lijfsbehoud roerloos liggen. Ze keek pas op toen ze de bebloede laarzen van de jager voor zich zag. "Dag jager", zei Droogkapje.
"Sakkerloot!", riep de jager met een bulderende stem die zo dreigend klonk, dat zelfs de plastic lokeenden in de vijver aanstalten maakten om op te vliegen, "dat is geen wrattenzwijn... dat is Droogkapje! Mijn kind, wat doe je in dit gevaarlijke gebied? Heeft je moeder je dan niet verteld op het pad te blijven?"
"Mijn moeder heeft wel meer verteld", antwoordde Droogkapje wijs, "maar zij kon niet bevroeden in welk een situatie ik zou belanden. Mijn oma is in groot gevaar. Ik blief uw hulp." Het jagershart brak bij het zien van zoveel hulpbehoevende onschuld. "Goed, mijn kind", sprak de jager, terwijl hij zijn geweer op zijn schouder te ruste legde, "wijs mij de weg."

Even later stonden ons tweetal voor de deur van het huisje. "Hier is het jager", zei Droogkapje, "de schurk heeft zich oneigenlijk toegang verschaft tot dit onderkomen. Doe er iets aan."
"Meisje", antwoordde de jager fier, "dit is iets voor grote mannen. Blijf jij hier staan en laat mij binnen gaan. Ik zal dat varkentje wel even wassen. Het wild moet zijn plaats kennen." De jager trok zijn hakmes en met opgeheven kin stapte het de duisternis van de kamer in.

"Ziet u al wat, jager?", vroeg Droogkapje toen het even stil bleef. "Zeker", sprak de jager zonder enige trilling in zijn stem, "ik zie het ledikant van grootmoeder. Verder is het leeg hier."
"Dat klopt",. antwoordde Droogkapje, "Oma woont erg sober. Haar waardevolle spulletjes hebben wij veilig bij ons thuis gestald. Kijkt u eens in het ledikant. Het zou mij niets verbazen als het lelijke beest daar zijn roes uitslaapt."
"Allemachtig!", riep de jager, "een lelijk beest is het zeker! Het heeft de kleren van grootmoeder aangetrokken... Droogkapje, ik ben bang dat hij zich heeft vergrepen aan het ouwe mens!"
Droogkapje sloeg de handen voor haar gezicht en zette het op een wenen.
"Er is nog niets verloren!", riep de jager en met een groots gebaar sneed hij de buik van zijn slachtoffer open. Maar wat schetste zijn verbazing toen hij niet oma, maar een bedorven kippetje uit de maag tevoorschijn trok. Verslagen liep hij naar buiten. "Droogkapje", sprak hij met vaderlijke ernst in zijn stem, "oma is reeds verteerd." Nu was Droogkapje volledig ontroostbaar. Jankend zette ze het op een lopen en probeerde zich via de schaduwkant van het huisje te ontworstelen aan die klote-ellende. In plaats daarvan verloor ze haar evenwicht toen haar charmante schoentje bleef haken achter een harig dier dat zich daar te ruste had gelegd. "Jager! Heeft u het ondier soms uit het raam gegooid?", vroeg Droogkapje.
"Welnee", zei de jager en kwam aangelopen, "hoe bedoel... sakkerloot! Dat is het beest! Maar dan... wie heb ik dan zojuist binnen van het leven beroofd? Allemachtig, Droogkapje, ik heb een donkerbruin vermoeden dat er een gruwelijk misverstand heeft plaatsgegrepen! Je moet er rekening mee houden dat je straks met slechte berichten naar huis zal terugkeren. Ben je bereid het ongelukkige slachtoffer te identificeren?"
"O jager, houd m'n handje vast als we samen naar het ledikant lopen", fluisterde Droogkapje. De eelterige hand van de jager pakte het zachte afwashandje van Droogkapje beet en zo liepen ze naar het sterfbed. Daar lag het opengekliefde lichaam van een oude vrouw. "Het is haar inderdaad", snifte Droogkapje, "alstublieft jager, zeg me dat ze nog leeft." De jager keek naar haar hart, maar zag niets meer bewegen. "Droogkapje", zei hij, "ik ben een moordenaar. Ik zal me aangeven bij de boswachter. Er staat me een straf te wachten waar de honden geen brood van lusten. En de jacht kan ik voortaan wel vergeten. M'n vergunning is het eerste dat ze me zullen afpakken."
Droogkapje keek naar het mannelijke gezicht van de jager. Zijn brede kaken stonden gespannen van bitterheid. En er vaarde iets in Droogkapje dat zij later voor de rechter als 'medelijden' zou aanduiden.
"Jager, het had zo moeten zijn. Het is het lot. Als u haar niet had omgebracht, dan was ze wel op een andere manier aan haar eind gekomen, u weet hoe dat gaat met die oudjes. Daarom kunnen we net zo goed de werkelijkheid een beetje naar onze hand zetten. Wat als..." Droogkapje ging op haar tenen staan en fluisterde de jager iets in het oor. Een glimlach verscheen op zijn mond. Hij liep naar de schaduwkant van het huis. Het gejank van een dier in nood klonk door het sprookjesbos. Daar kwam de jager weer binnen en droeg het harige beest op zijn schouder, terwijl een straal bloed langs zijn staart een spoor over de vloer trok. Hij gooide het dier op bed, sneed de buik open en werkte grootmoeder naar binnen, wat gezien haar sterfelijke proporties van een leien dakje ging. Toen naaide de jager de buik van het dier weer netjes dicht. "Laat dit een les voor je zijn, Droogkapje", zei de jager, "om nooit van het pad af te dwalen."
"Ik zal er aan denken", antwoordde Droogkapje maar snapte er niets van.

Opgelucht stapte het tweetal naar buiten. Ze schrokken. Daar stonden de gebroeders Grimm. "Het spel is uit", spraken ze. Droogkapje en de jager knikten.

Back to where I came from.